Kenmerken van digitale groei

You are here:
< All Topics

Kenmerken van digitale groei

De ‘Technology Fallacy’ is het resultaat van een samenwerking tussen MIT Sloan Management Review en Deloitte Digital. Zij zien o.a. op weg naar maturiteit 23 kenmerken ontstaan. Het is niet de bedoeling dat elk bedrijf deze 23 kenmerken stap voor stap moet omarmen. De kenmerken gelden meer als een gids, aangezien organisaties en sectoren heel sterk van elkaar kunnen verschillen. Wel is het van belang kennis te nemen van de 23 kenmerken en te overwegen welke voor een specifieke organisaties van cruciaal belang kunnen zijn.
1 – Continu innoveren. Er zijn voortdurend nieuwe ideeën en verschillende toepassngen van die ideeën.
2 – Real time/On Demand. Informatie, diensten, toepassingen zijn constant bereikbaar en werkend en up-to-date.
3 – Verschuivende beslissingsrechten: Beslissingsrechten wijzigen continu aangezien steeds meer en waardevolle informatie beschikbaar wordt voor alle betrokkenen en derden.
4 – Moduleren van van risico en veiligheid. Naarmate meer informatie makkelijk beschikbaar is dient er een continu evenwicht te worden gevonden tussen veiligheid en democratisering van informatie.
5 – Stroomijning. Er ontstaat het vermogen om makkelijk van situatie A naar situatie B te gaan, met gevolgen op het inzetten van talent, middelen, bedrijfsmodellen en communicatie.
6 – Geografisch agnostisch. In het bijzonder technologie wijzigt de positie van locatie. Geografische locatie verliest steeds meer aan belang.
7 – Morphing teamstructuren. In digitale mature organisaties vormen teams zich zoals ze op dat moment nodig zijn en verdwijnen die structuren wanneer ze niet meer nodig zijn.
8 – Opzettelijk samenwerken. Er wordt opzettelijk nagedacht hoe kan worden samengewerkt met een specifiek doel voor ogen. De doelstelling gaat veel verder dan communiceren, op de hoogte houden. Het betreft hier de totaliteit van de organisatie.
9 – Dynamische opbouw van vaardigheden. Er wordt continu geleerd. Gezien er steeds in innovatie is en er steeds nieuwe taken zijn wordt constant bijgeschaafd aan de vaardigheden.
10 – Veranderende aard en soort werk. Functiebeschrijvingen, taken, vaardigheden en eisen zijn zeer veranderlijk in een digitale omgeving.
11 – Constante verstoring. Verstoringen in een digitale omgeving zijn constant en gevarieerd.
12 – Centraal stellen van de klant. De klant staat centraal in ontwerpdenken en het ontwikkelen van produkten en diensten. Bij alle beslissingen staat de klant centraal.
13 – Democratiserende informatie. Alle betrokkenen bij de organisatie, zowel dicht als ver (en dus ook de concurrentie), hebben groeiende toegang tot alle mogelijke informatie. Beschermde informatie wordt een bijzonder schaars goed.
14 – Beheer van multimodale operaties. Men is effectief in het functioneren in verschillende werkmodi op hetzelfde moment, dikwijls één of meer ‘legacy’ systeem en één of meer ‘digitaal systeem’.
15 – Het synchroniseren van verschillende werkwijzen. Dikwijls opereren ‘legacy’ systemen trager dan nieuwere digitale systemen, waardoor ze een impact kunnen hebben op de klantervaringen. Het synchroniseren van die verschillende processen is cruciaal. Dikwijls kiest men voor bepaalde ‘work-arounds’.
16 – Productieve mobiliteit. Mobiliteit maakt het werk effectiever, naadlozer, makkelijker.
17 – Veranderende mix van traditionele en niet-traditionele belanghebbenden. Door de digitalisering kunnen bepaalde belanghebbenden zonder echt deel te zijn van de formele hiërarchie grote impact hebben op de bedrijfsvoering. Zij dienen dan ook als dusdanig te worden (h)erkend.
18 – Het  afvlakken en wijzigen van de hiërarchie. Structuurlagen, controle en belissingsrechten wijzigen snel in een digitale organisatie. Over het algemeen is er minder behoefte aan lagen van structuur.
19 – ‘Nimbleness’. De organisatie is klaar om zich aan te passen aan snelle en/of onverwachte veranderingen. Dat wordt gekenmerkt door snelheid, afstemming, flexibiliteit, vindingrijkheid en aanpasbaarheid van systemen.
20 – Voortdurende verstoring van het ecosysteem. De snelle evolutie van hoe het werk wordt gedaan, waar het werk wordt gedaan en wie het werk doet verstoort het traditionele ecosysteem.
21 – Voordurende wijzigende beslissingscriteria. Wat gisteren nog zin had, kan vandaag gewijzigd zijn. 
22 – Falen en leren. Er is een focus op de introductie van nieuwe ideeën, nieuwe producten en diensten, dikwijls nog onvolledig. Hieruit wordt geleerd en worden zaken aangepast.
23 – Iteratief. Processen, produkten, diensten, enz. worden continu aangepast aan de hand van analytisch inzicht, ‘trial & error’, feedback.

Table of Contents